Blog Margot van Camp: Dienstverlenende franchiseformules opgelet!

31 maart 2017

Laatst had ik het weer eens aan de hand: een samenwerking tussen franchisegever en franchisenemer waarin de franchisegever een dermate gezaghebbende rol vertegenwoordigde en franchisenemer vanwege zijn dienstverlenende beroep hoofdzakelijk zelf de betreffende diensten diende te verrichten, waardoor bij mij de vraag rees of hier in feite geen sprake was van een arbeidsrelatie. Het kwalificeren van een franchiseovereenkomst als arbeidsrelatie kan voor zowel franchisegever als franchisenemer nadelige gevolgen met zich meebrengen (denk voornamelijk aan fiscale nadelen dan wel het mislopen van fiscale voordelen). Voldoende reden om even stil te staan bij dit risico.

Je zou denken dat een franchiserelatie en een arbeidsrelatie niets met elkaar van doen hebben. In een arbeidsrelatie bestaat een overeenkomst tussen werkgever en werknemer met als belangrijkste kenmerken dat sprake moet zijn van een gezagsverhouding, betaling vanĀ  loon en van persoonlijke arbeidsverrichting. In een franchiserelatie is sprake van een franchiseovereenkomst tussen franchisegever en franchisenemer waarbij aan de franchisenemer het recht wordt verleend om de franchiseformule van franchisegever voor eigen rekening en risico te exploiteren en waarin het zelfstandig ondernemerschap van de franchisenemer een van de kernwaarden is. Toch kan het in bepaalde gevallen zo zijn dat deze scheidslijn vervaagt. Ter verduidelijking geef ik het volgende voorbeeld:

Franchisegever (een autorijschool-formule) had met al zijn franchisenemers (zijnde rijinstructeurs) franchiseovereenkomsten gesloten. 5 Jaar later werd franchisegever geconfronteerd met een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen dat franchisegever gehouden was om sociale premies af te dragen, omdat volgens het instituut sprake zou zijn van een fictief dienstverband. Het geschil is uiteindelijk voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep, die in het voordeel van het instituut heeft geoordeeld en de autorijschool heeft veroordeeld om tot betaling over te gaan.

De volgende overwegingen van de Centrale Raad van Beroep waren doorslaggevend voor het uiteindelijke oordeel:

  • Er was sprake van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, aangezien voor de vervanging van de rijinstructeur personen met specifieke kwaliteiten nodig zijn;
  • De rijinstructeurs waren verplicht instructies op te volgen betreffende het maken van reclame en de wijze van presentatie alsmede om aspirant leerlingen aan te melden bij de rijschool;
  • De rijinstructeur zelf kon bepalen op welke tijden hij beschikbaar was om autorijlessen te verzorgen voor leerlingen die hem door de rijschool ter beschikking werden gesteld, maar die vrijheid werd beperkt doordat de rijinstructeur verplicht was aan de rijschool op te geven op welke tijden hij les gaf en de instructeur diende zich te houden aan het door de rijschool vastgestelde lesgeld;
  • Nu de lesgelden verminderd met de kosten door de rijschool werden uitbetaald aan de rijinstructeur, was tevens sprake van loon;
  • In geval van niet-nakoming van de genoemde verplichtingen kon de franchisegever een boete opleggen en de overeenkomst ontbinden.

De Raad was van oordeel dat genoemde feiten en omstandigheden voldoende aanknopingspunten boden om te kunnen spreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uit de jurisprudentie en literatuur blijkt dat met name in de gevallen waarin sprake is van een dienstverlenendĀ  of adviserend beroep, franchiseformules er alert op moeten zijn dat de relatie niet teveel kenmerken van een fictief dienstverband bevat. Denk daarbij aan de volgende elementen die kunnen pleiten voor een arbeidsverhouding: de franchisegever heeft een bepalende rol in de planning van de werkzaamheden van franchisenemer, franchisegever bepaalt de prijs van de werkzaamheden, facturen worden niet door franchisenemer maar door franchisegever verstuurt, de persoon van franchisenemer is voor de uitvoering van de werkzaamheden belangrijk en franchisenemers mogen buiten de formule om geen enkele andere (soortgelijke) werkzaamheden verrichten.

Nu de Belastingdienst heeft aangekondigd vanaf januari 2018 op dit vlak meer te zullen gaan controleren en handhaven, is het niet onverstandig om de huidige franchiseovereenkomsten op genoemde onderdelen nog eens nauwkeurig tegen het licht te houden. Voorkomen is ook in dit geval goedkoper dan genezen.

 

Deze blog is te lezen op de website van INTO Franchise.