Blog Margot van Camp: ‘Wie stelt, hoeft niet altijd te bewijzen…’

23 september 2016

Het is een veelbesproken onderwerp binnen franchise waarover reeds tal van gerechtelijke procedures zijn gevoerd: de prognoseproblematiek. Enerzijds vloeit de problematiek voort uit het feit dat franchisegevers niet verplicht zijn tot het verstrekken van exploitatieprognoses aan de kandidaat-franchisenemer, maar doen zij dit wel dan dienen zij in te staan voor de deugdelijkheid daarvan. Anderzijds blijkt het vaak lastig voor franchisenemers om aan te tonen dat sprake is van (in de ogen van de franchisenemer) ondeugdelijke prognoses. Want het is aan diegene die zich op het standpunt stelt dat sprake is van ondeugdelijke prognoses, doorgaans de franchisenemer, om daarvoor het noodzakelijke bewijs aan te leveren. De hoofdregel binnen het bewijsrecht luidt namelijk: wie stelt, moet bewijzen. Gebleken is dat dit toch een aardig lastige exercitie voor de franchisenemer betreft, temeer nu de partij die de bewijslast draagt (franchisenemer) niet verantwoordelijk is voor het (doen) opstellen van de prognoses. Het enkele gegeven dat de prognoses niet voldoen aan de gerealiseerde omzet hoeft bijvoorbeeld nog niet te betekenen dat de prognoses ondeugdelijk waren. Franchisenemer zal in een dergelijk geval nader bewijs moeten leveren voor het door haar ingenomen standpunt. Bewijs wat zij vaak niet voor handen heeft, maar wel zou kunnen worden geleverd door de franchisegever zelf.

In aansprakelijkheidszaken bestaat een soortgelijke problematiek. Want hoe kun je als patiënt aantonen dat de arts tijdens de operatie een fout heeft gemaakt, terwijl de patiënt tijdens de operatie onder volledige narcose was? Reden waarom door de Hoge Raad eind vorige eeuw een regel is ontwikkeld die wordt aangeduid als de omkeringsregel. Deze regel houdt in dat in gevallen waarin het causale verband tussen een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven, het aan de persoon die op grond van de betreffende gedraging wordt aangesproken is om te stellen en bewijzen dat de schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Wat er dus in feite gebeurt, is dat de aangesproken partij wordt opgedragen om het tegenovergestelde te bewijzen.

De prognoseproblematiek zou ook gebaat zijn bij een dergelijke omkeringsregel en het ziet ernaar uit dat hier sinds 1 juli 2016 ook daadwerkelijk een beroep op kan worden gedaan door franchisenemers. Per 1 juli jl. is de Wet acquisitiefraude in werking getreden. Onder acquisitiefraude wordt verstaan misleidende handelspraktijken tussen organisaties, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt gericht op het winnen van vertrouwen en het wekken van verwachtingen teneinde de ander te bewegen tot het aangaan van een overeenkomst, waarbij de tegenprestatie niet of nauwelijks naar behoren wordt geleverd. Het doel van deze nieuwe wetgeving is om acquisitiefraude tegen te gaan en te zorgen dat ondernemers eenvoudig onder een overeenkomst uit kunnen komen als die via een ‘misleidende omissie’ tot stand is gekomen. Een misleidende omissie is het weglaten of verborgen houden van belangrijke informatie bij het aangaan van een transactie waardoor het als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt. Minister Kamp heeft in een brief van 29 augustus jl. aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt dat de Wet acquisitiefraude tevens van toepassing is op franchiseovereenkomsten. Een belangrijk onderdeel betreft de informatieverplichting omtrent zakelijke overeenkomsten en in het verlengde daarvan de omkering van de bewijslast van de benadeelde naar de aanbieder. “Wanneer de franchisegever als aanbieder van de overeenkomst niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst de juiste en volledige informatie geeft, kan de benadeelde de rechter verzoeken de overeenkomst te ontbinden. De bewijslast omtrent de juistheid en volledigheid van de vooraf verstrekte informatie rust hierbij op de franchisegever”, aldus de Minister.

Door de inwerkingtreding van de Wet acquisitiefraude en de daarmee gepaard gaande invoering van de informatieverplichting omtrent zakelijke overeenkomsten, zal het voor franchisenemers vanaf heden eenvoudiger zijn om zich op het standpunt te stellen dat sprake is van ondeugdelijke prognoses. Het is dan vervolgens aan de franchisegever om te bewijzen dat de door haar verstrekte prognoses wel juist en volledig waren.

 

Deze blog is te lezen op de website van INTO Franchise.