Onderzoeksplicht Kredietverstrekker

18 december 2018

Op 14 december 2018 wees de Hoge Raad een arrest over de onderzoeksplicht van kredietverstrekkers (1). De Hoge Raad volgt in dit arrest de meer dan lezenswaardige conclusie van Advocaat-Generaal M.H. Wissink (2).

Het arrest geeft antwoord op een aantal vragen uit de rechtspraktijk. Zo is nu duidelijk dat een kredietverlener ook in 2006 zelf al diende te onderzoeken of de kredietnemer in staat is de lasten verbonden aan de hypothecaire geldlening te dragen. Het destijds geldende artikel 51 Wet financiële dienstverlening (Wfd) verplichtte de kredietverlener inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van de consument ten einde overkreditering te voorkomen. De kredietgever kan zich niet verschuilen achter de door de consument ingeschakelde (met het inkomen sjoemelende) tussenpersoon. Door de inkomensgegevens van de consument op het aanvraagformulier niet te controleren voldeed de kredietverstrekker niet aan haar onderzoeksplicht. Hierdoor was het mogelijk dat de consument een lening kreeg die zijn budget (ruim) te boven ging. De kredietverstrekker maakt zich daarbij schuldig aan overkreditering.

Omdat de kredietverstrekker de inkomensgegevens niet controleerde, werd een hypothecaire geldlening verstrekt die niet bijna 5 (volgens het opgegeven inkomen) maar 12 maal het werkelijke bruto jaarinkomen van de consumenten bedroeg. De kredietverstrekker was zich bewust van dit risico en bracht ook een opslag op het rentetarief in rekening omdat zij de gegevens niet zelf controleerde.

De bijzondere zorgplicht van de bank om te waken voor overkreditering brengt mee dat de kredietaanbieder de consument over de resultaten van haar onderzoek diende te informeren op een zodanige wijze dat de consument kon beoordelen of hij de verplichtingen zou kunnen (blijven) dragen. Ook diende de bank de consument voor wie de kredietverstrekking mogelijk niet verantwoord was, daarop te wijzen, en hem voor het daaraan verbonden risico te waarschuwen. Met verwijzing naar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad (3) moet gekeken worden naar de ten tijde van de kredietverlening geldende inzichten over verantwoorde kredietverstrekking. In dit arrest was de kredietverstrekker echter geen bank. De Hoge Raad oordeelt dat deze bijzondere zorgplicht ook voor andere kredietverstrekkers, niet banken, geldt.

De Hoge Raad volgt ook het standpunt van Advocaat-Generaal M.H. Wissink en oordeelt dat als kredietverstrekking niet verantwoord is (met het oog op voorkoming van overkreditering) het krediet geweigerd moet worden. Waarschuwen volstaat dus niet om aan aansprakelijkheid te voorkomen. Dit verbod is in de huidige wetgeving expliciet opgenomen in artikel 4:34 lid 2 Wet op het financieel toezicht (Wft).

Wanneer sprake is van niet verantwoorde kredietverstrekking of overkreditering blijft een lastig onderwerp. Dit komt mede omdat de zorgplicht meer kan omvatten dan de bepalingen in publiekrechtelijke regelgeving of zelfregulering. Voor de huidige publiekrechtelijke bepalingen kijken we naar artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht (Wft) en artikel 115 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Sinds 1 januari 2013 zijn in de Tijdelijke regeling hypothecair krediet nadere regels gesteld over de maximale financieringslast (loan to income) en de maximale hoogte van het krediet in relatie tot de waarde van de woning (loan to value).

De kredietverstrekker heeft betoogd dat de consument al geruime tijd op de hoogte was van de door de tussenpersoon onjuist verstrekte informatie en doet daarom een beroep op verjaring. De Hoge Raad herhaalt haar eerder ingenomen standpunt dat de verjaring pas begint te lopen op het moment dat de consument ervan op de hoogte is dat de kredietverstrekker jegens hem een zorgplicht heeft en aanleiding heeft te veronderstellen dat de kredietverstrekker in de nakoming van die zorgplicht is tekortgeschoten en hij daardoor mogelijk schade heeft geleden.

Vast staat dat de kredietverstrekker tekort geschoten is in de op haar rustende zorgplicht en gehouden is de hieruit voortvloeiende schade aan de consument te vergoeden.

Ralf de Koning

Advocaat

(1) ECLI:NL:HR:2018:2298
(2) ECLI:NL:PHR:2018:1036
(3) ECLI:NL:HR:2017:1107 (SNS/Stichting)