Renteverhoging door banken aan banden

maandag 23 april, 2018

De zorgplicht van de banken blijft de gemoederen bezighouden. In een recente uitspraak (ECLI:NL:RBZWB:2018:1603) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de contractuele bevoegdheid van een bank om het opslagpercentage in de rentevergoeding voor een zakelijke (vastgoed) financiering ingeperkt met toepassing van de uit artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden voortvloeiende zorgplicht van de bank.

Hoewel de zorgplicht van de bank al sinds 1965 in artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden staat, wordt de relevantie van die zorgplicht steeds groter. Ondanks verschillende redactionele wijzigingen is de kern van dit artikel sinds 1965 nog steeds dat: de bank bij haar dienstverlening rekening dient te houden met de belangen van de cliënt.

In de praktijk zijn de belangen van de bank en de cliënt vaak tegenstrijdig aan elkaar. De bank wil een zo hoog mogelijk resultaat en de cliënt wil zo goedkoop mogelijk lenen. Bij het aangaan van een bankkrediet kun je aanbieders tegen elkaar afwegen. Maar heb je eenmaal een krediet verkregen dan ben je daar aan gebonden. Na het einde van een overeengekomen vaste rentetermijn zal de bank een nieuw aanbod doen. De bank bepaalt op dat moment tegen welke vergoeding zij bereid is de lening voort te zetten. Bij een variabele rente ben je naast de schommelingen van de variabele rente, zo is in de afgelopen periode gebleken, ook afhankelijk van tussentijdse aanpassingen van het opslagpercentage dat de bank in rekening brengt.

Wijzigingen van dit opslagpercentage komt vaak onverwacht. Zo hebben banken o.a. de liquiditeitstoeslag ingevoerd toen de marktrente wel erg laag werd. Maar ook de verhoging van het opslagpercentage als gevolg van de gedaalde waarde van het onderpand leidt vaak tot onbegrip bij de kredietnemer. Gevallen waarin de lening door aflossingen is gehalveerd kan er toch toe leiden dat de bank een hoger opslagpercentage hanteert. Dat is gewoonweg niet uit te leggen.

Kredietnemers die geconfronteerd worden met een dergelijke verhoging van het opslagpercentage voelen zich door de bank in de tang genomen. Zeker als herfinanciering elders niet mogelijk is omdat het (aangepaste) beleid van banken financiering van bedrijfsmatig onroerend goed ontmoedigt. Er zit dan vaak niets anders op dat knarsetandend instemmen met het voorstel van de bank.

In de hiervoor genoemde uitspraak heeft de kredietnemer het voorstel van de bank niet geaccepteerd en de rechtbank geeft hem nu gelijk. Maakt dit nu dat elke verhoging door de bank niet mogelijk is? Nee, dat is niet de conclusie van deze uitspraak. Wel dient de bank voorafgaand aan die beslissing deugdelijk te motiveren waarom zij meent dat de opslag gerechtvaardigd is. Bij die afweging dient de bank rekening te houden met recente cijfers van de kredietnemer en de actuele waarde van het onderpand.

De bank heeft contractueel de bevoegdheid het opslagpercentage in de toekomst te wijzigen. De enige bijkomende voorwaarde is dat zij alvorens daartoe over te gaan toepassing dient te geven aan artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden op de wijze zoals de rechtbank in dit vonnis heeft uiteengezet. Wanneer de bank dit in de toekomst doet, geldt dat instemming van de kredietnemer wel wenselijk, maar niet vereist is. Voorts geldt dan dat op kredietnemer, wanneer hij het met de beoordeling en de motivering niet eens is, stelplicht en bewijslast rusten van feiten en omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de bank niet tot wijziging van het opslagpercentage heeft kunnen komen.

Deze uitspraak steunt kredietnemers die met hun bank in gesprek willen komen over het door de bank voorgestelde opslagpercentage.

De bank heeft al laten weten tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan.

Ralf de Koning
Advocaat